Dit besluit is vervangen door het besluit van (Vaste) indexatie van pensioenen (besluit van 21 januari 2005, nr. CPP2004/1257M.

Verzekerde pensioenen met zogenaamde "vaste klimming" na ingangsdatum. inbouw AOW en AWW

Besluit van 8 februari 1978, nr. 277-43

1. De omstandigheid dat een regeling voor oudedagsvoorziening en gezinsverzorging er in voorziet dat het pensioen na de ingangsdatum wordt geïndexeerd, bijvoorbeeld aan de hand van het prijsindexcijfer dan wel aan de hand van het loonindexcijfer, vormt in het algemeen geen beletsel een dergelijke regeling te beschouwen als pensioenregeling in de zin van artikel 11, derde lid, letter a, van de Wet op de loonbelasting 1964.

2. Mij is de vraag gesteld of als zodanig eveneens is te beschouwen een regeling, ter uitvoering waarvan een verzekering is gesloten, welke is voorzien van een clausule dat het pensioen na de ingangsdatum jaarlijks, onafhankelijk van loon- of prijsstijgingen met een vast percentage toeneemt. Een dergelijke clausule wordt wel aangeduid als "vaste klimming".

3. Dienaangaande deel ik U mede, dat ik er geen bezwaar tegen heb indien de inspecteurs der directe belastingen deze vraag bevestigend beantwoorden, mits

- de vaste klimming niet meer bedraagt dan 4% per jaar;

- naar de bestaande vooruitzichten kan worden aangenomen dat het te genieten pensioen niet zal uitgaan boven een als redelijk te beschouwen pensioen. Hierbij is overigens rekening te houden met een medeverzekerd recht op een winstbijschrijving alsmede met kortingen op de premies en/of koopsommen, welke worden aangewend voor aanpassing van te zijner tijd ingaande pensioenen.

4. In verband met het vorenstaande merk ik op, dat het in het algemeen aanbeveling verdient dat voornoemde inspecteurs voor de vraag of met betrekking tot aan een directeur-aandeelhouder toegekend pensioen sprake is van een uitdeling van winst - ook in gevallen waarin geen pensioenverzekering is gesloten als onder 2 hiervoor is bedoeld - overleg plegen met hun ter zake bevoegde ambtgenoot van de vennootschapsbelasting.

5. Indien een pensioenregeling als nr. 2 hiervoor is bedoeld voor de loonbelasting kan worden aanvaard en met betrekking tot deze regeling evenmin een uitdeling van winst aanwezig wordt geacht houdt dat nog niet in dat dan ook de kosten en lasten, welke met die pensioenregeling verband houden, zonder meer ten laste van de winst kunnen worden gebracht. De betreffende kosten en lasten zullen zelfstandig dienen te worden getoetst aan de voor de winstberekening geldende wettelijke bepalingen, waarbij met name voor wat de meervermelde onder 2 hiervoor bedoelde pensioenregeling betreft valt te denken aan het bepaalde in artikel 9a, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

6. Tenslotte merk ik nog het volgende op. Bij pensioenregelingen wordt, zij het niet altijd op gelijke wijze, rekening gehouden met het recht op uitkeringen krachtens de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet. Gelet op dit naar mij is gebleken algemene gebruik ben ik van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag of een pensioen al dan niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen, mede in verband met diensttijd en genoten beloning, redelijk is, op een der in de praktijk gebruikelijke wijzen rekening dient te worden gehouden met het recht op vorenbedoelde uitkeringen.