Dit besluit is vervangen door het besluit van 16 maart 2007, nr. CPP2007/483M, Stcrt. nr. 60.

Voorwaarden voor aanwijzing als pensioenregeling van pensioenvervangende regelingen voor gemoedsbezwaarden, zoals bedoeld in artikel 19d, onderdeel b, van de wet op de loonbelasting 1964.

Directoraat-generaal Belastingdienst

Team ondernemingen

Besluit van 15 augustus 2002, nr. DGB2002/1407M

De staatssecretaris van Financiën heeft, in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het volgende besloten.

Inleiding

Bij de invoering van de Wet fiscale behandeling van pensioenen, per 1 juni 1999, is de aanwijzingsbevoegdheid van de Minister van Financiën zodanig beperkt dat pensioenvervangende regelingen voor gemoedsbezwaarden niet langer kunnen worden aangewezen als pensioenregeling. Hierdoor is de aanspraak belast en is de vervangende pensioenpremie niet langer aftrekbaar. Als gevolg van overgangsrecht wordt de situatie van vóór 1 juni 1999 voor toen bestaande gevallen vooralsnog gecontinueerd tot 1 juni 2004. Artikel 19d, van de Wet op de loonbelasting 1964 is per 1 januari 2001 uitgebreid met de mogelijkheid pensioenvervangende regelingen voor gemoedsbezwaarden, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet financiering volksverzekeringen, te kunnen aanwijzen. In mijn brief van 3 november 2000, aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (kenmerk AFP 2000-00852M) heb ik aangegeven dat aan aanwijzing voorwaarden zullen worden verbonden, waarbij, rekening houdend met het ontbreken van een verzekeringskarakter, zoveel mogelijk wordt gestreefd naar een gelijke behandeling van pensioenregelingen en pensioenvervangende regelingen voor gemoedsbezwaarden.

Voorwaarden

Aan de aanwijzing van pensioenvervangende regelingen voor gemoedsbezwaarden als pensioenregelingen in de zin van Hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 verbind ik de volgende voorwaarden:

De aanwijzing geldt zowel voor regelingen van gemoedsbezwaarde werkgevers, die aan de werknemers geen pensioentoezegging willen doen op basis van een verzekering, als voor regelingen voor gemoedsbezwaarde werknemers.

Uitvoering

De pensioenvervangende regelingen voor gemoedsbezwaarden die voldoen aan de hiervoor genoemde voorwaarden, zijn aangewezen als pensioenregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 mits ook het pensioenreglement voor de niet-gemoedsbezwaarde werknemers voldoet aan de bepalingen van hoofdstuk IIB en artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964.

Voor een regeling die niet reeds op 1 juni 1999 bestond, geldt dat na aanpassing van de regeling aan de voorwaarden van dit besluit, uiterlijk vóór 31 december 2002, de aangepaste gemoedsbezwaardenregeling met terugwerkende kracht vanaf aanvang af als een aangewezen pensioenregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt aangemerkt

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 19c van de Wet op de loonbelasting 1964 kan, als zekerheid vooraf wordt gewenst, een oordeel van de Belastingdienst worden gevraagd. De pensioenvervangende regeling inclusief het pensioenreglement voor de niet-gemoedsbezwaarde werknemers dient dan te worden gezonden naar de voor de werkgever bevoegde eenheid van de Belastingdienst.