Dit besluit is gedeeltelijk ingetrokken en overigens vervangen door het besluit van 28 april 2006, nr. CPP2005/2728M.

Vragen en antwoorden verzekeringen; pensioenaangroei

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein Belastingen op arbeid en vermogen

Besluit van 13 augustus 2002, nr. CPP2002/2152M

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Inleiding

Vanuit de praktijk is een aantal vragen gesteld over de berekening van de pensioenaangroei als bedoeld in artikel 3.127, vijfde lid van de Wet IB 2001 jo. artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: Uitv. besl. IB 2001). Deze bepaling van de pensioenaangroei is nodig voor de bepaling van het bedrag dat in aanmerking kan worden genomen als aftrekbare premies voor lijfrenten. Hieronder geef ik de betreffende vragen en antwoorden weer.

1. Rangorde toepassing artikel 15, tweede lid, Uitv. besl. IB 2001, onderdeel a en b

Vraag

In het tweede lid van artikel 15 Uitv. besl. IB 2001 worden in onderdeel a de aan een beschikbare premie gerelateerde levenslange inkomensvoorzieningen bij ouderdom genoemd en in onderdeel b de overige aan het inkomen gerelateerde levenslange inkomensvoorzieningen bij ouderdom. Wordt met deze tekstvolgorde een behandelingsvolgorde bedoeld?

Antwoord

Dit is niet het geval. De onderdelen a en b sluiten elkaar uit wat betreft toepassingsbereik. Als derhalve de inkomensvoorziening een aan het inkomen gerelateerde levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom is, geldt het voorschrift uit onderdeel b. De aan het aan het inkomen gerelateerde inkomensvoorzieningen zijn:

- een op een eindloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 18a , eerste lid van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964)

- een op een middelloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 18a, tweede lid van de Wet LB 1964.

Als de inkomensvoorziening gebaseerd is op een beschikbarepremiestelsel als bedoeld in artikel 18a, derde lid, van de Wet LB 1964, geldt het voorschrift uit onderdeel a.

2. Vastebedragenregeling.

Vraag

Een vastebedragenregeling is een regeling waarbij het pensioenrecht jaarlijks aangroeit met een vast bedrag, dat niet inkomensafhankelijk wordt vastgesteld. Op welke wijze dient de pensioenaangroei in dat geval te worden bepaald?

Antwoord

Weliswaar is bij een vastebedragenregeling geen sprake van een loongerelateerde oudedagsvoorziening in formele zin, maar er is wel sprake van een zodanige toezegging van een pensioenbedrag op pensioengerechtigde leeftijd dat die voor de bepaling van de pensioenaangroei als bedoeld in artikel 3.127, vijfde lid, Wet IB 2001 op dezelfde wijze dient te worden behandeld. Ter verduidelijking: bij een loongerelateerde oudedagsvoorziening wordt op basis van het loon en het opbouwpercentage een bepaald pensioenbedrag toegezegd. Bij een vastebedragenregeling vindt die berekening niet plaats maar wordt eveneens een bepaald pensioenbedrag toegezegd. Wat het resultaat betreft bestaat er voor de toepassing van artikel 3.127, vijfde lid, derhalve geen relevant onderscheid. Dit brengt mee dat op toezeggingen op grond van vastebedragenregelingen niet onderdeel a maar onderdeel b van artikel 15, tweede lid, Uitv. besl. IB 2001 van toepassing is. De jaarlijkse aangroei wordt daarbij gelijkgesteld aan het bedrag van het ouderdomspensioen dat aan de werknemer in het betreffende kalenderjaar is toegezegd.

3. Hybride pensioenregeling

Vraag

Op welke wijze dient de pensioenaangroei te worden bepaald indien sprake is van een zogenoemde hybride pensioenregeling zoals bedoeld in het Besluit van 2 juli 2001 nr. RTB 2001/739M?

Antwoord

In genoemd besluit wordt een dergelijke regeling voor de toepassing op de Wet LB 1964 beschouwd als een op een beschikbarepremiestelsel gebaseerd pensioen. Vanwege het bijzondere karakter van deze regelingen zijn in het besluit afwijkende voorwaarden vastgesteld. Nu het in dergelijke regelingen te verzekeren pensioenkapitaal evenwel duurzaam is gebaseerd op pensioenaanspraken zoals deze in eind- of middelloonregelingen worden verkregen, (streefpensioen) en de premie voor de pensioenverzekering niet het uitgangspunt van de regeling vormt, dient de jaarlijkse pensioenaangroei bepaald te worden overeenkomstig artikel 15, tweede lid, onderdeel b, Uitv. besl. IB 2001.

4. Beschikbare premie voor (levenslang) nabestaandenpensioen.

Vraag

In artikel 15, tweede lid, Uitv. besl. IB 2001 wordt de pensioenaangroei gedefinieerd als de aangroei van de levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom. Houdt dit in, dat voor de toepassing van de tabel van artikel 15, tweede lid, onderdeel a, Uitv. besl. IB 2001, uitsluitend behoeft te worden uitgegaan van het gedeelte van de beschikbare premie dat betrekking heeft op het ouderdomspensioen?

Antwoord

Voor de berekening van de pensioenaangroei als bedoeld in artikel 3.127, vijfde lid, Wet IB 2001, dient bij een beschikbarepremieregeling van de totale premie voor het levenslange ouderdoms- en nabestaandenpensioen te worden uitgegaan (zie Toelichting Uitv. besl. IB 2001). Door de toepassing van de tabel van artikel 15, tweede lid, onderdeel a, Uitv. besl. IB 2001, wordt namelijk op grond van deze totale premie de stijging van het levenslange ouderdomspensioen forfaitair berekend, rekening houdend met het feit dat een deel van de premie betrekking heeft op het nabestaandenpensioen. Voor de toepassing van de tabel dient het premiedeel voor het nabestaandenpensioen daarom niet uit de totaalpremie te worden gehaald..

5. Opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid.

Vraag

Voor de berekening van de pensioenaangroei bij een beschikbarepremieregeling dient de beschikbaar gestelde premie met gebruikmaking van de tabel van artikel 15, tweede lid, onderdeel a, Uitv. besl. IB 2001 te worden omgerekend naar een toename van het levenslange ouderdomspensioen. Mag de te hanteren beschikbare premie voor de toepassing van de tabel worden geschoond van de daarin begrepen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid?

Antwoord

Omdat in de factoren van de tabel van artikel 15, tweede lid, onderdeel a, Uitv. besl. IB 2001 forfaitair rekening is gehouden met een verzekering van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid, mag de totale beschikbare premie niet worden geschoond van de daarin begrepen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Dit blijkt ook uit de Toelichting Uitv. besl. IB 2001.

6. Eindloonregelingen en salarisstijgingen in het kalenderjaar.

Vraag

Op welke wijze moet in een eindloonregeling voor de berekening van de pensioenaangroei in een kalenderjaar rekening worden gehouden met de gevolgen van een salarisstijging in het betreffende kalenderjaar?

Antwoord

Voor de berekening van de pensioenaangroei in een kalenderjaar is uiteraard de pensioenregeling zelf het uitgangspunt. Daarbij is het volgende van belang.

1. Indien in de regeling is bepaald dat de aangroei van het pensioen plaatsvindt op basis van de pensioengrondslag op een in de regeling genoemde peildatum, dient voor de berekening van de pensioenaangroei te worden uitgegaan van de pensioengrondslag op de laatste peildatum in het kalenderjaar. Als de enige peildatum bij voorbeeld 1 januari is, geldt als pensioengrondslag de grondslag op 1 januari van het betreffende kalenderjaar.

2. Indien de opbouw van het pensioen niet gebaseerd is op één of meerdere vaste peildata ( de aangroei van het pensioen wordt met andere woorden bepaald op basis van het feitelijk gedurende het kalenderjaar genoten loon) dient de pensioenaangroei als bedoeld in artikel 3.127, vijfde lid, Wet IB 2001 te worden berekend op basis van de feitelijk gehanteerde pensioengrondslag in het kalenderjaar. Met de feitelijk gehanteerde pensioengrondslag wordt in een dergelijk geval bedoeld de som van de in de afzonderlijke loonperioden geldende, naar die loonperioden herrekende, pensioengrondslagen.

7. Middelloon of vastebedragenregeling en indexatie in het kalenderjaar.

Vraag

Op welke wijze dient voor de berekening van de pensioenaangroei in een kalenderjaar rekening te worden gehouden met de gevolgen van een in het kalenderjaar toegepaste indexatie in een geïndexeerde middelloonregeling of een vastebedragenregeling.

Antwoord

Als in een geïndexeerde middelloonregeling of een vastebedragenregeling gedurende het kalenderjaar de in dat jaar reeds opgebouwde rechten door indexatie worden verhoogd, dient met deze indexatie ten volle rekening te worden gehouden voor de berekening van de pensioenaangroei op grond van artikel 3.127, vijfde lid, Wet IB 2001. Ook rekening dient dus te worden gehouden met het pensioen dat in het kalenderjaar is opgebouwd in de perioden voorafgaand aan de periode van indexatie.

8. Wijzigingen na afloop van het kalenderjaar.

Vraag

In hoeverre heeft een wijziging in de opgebouwde pensioenrechten na het verstrijken van een kalenderjaar invloed op de opgaveplicht van de verzekeraar ten opzichte van de verzekerde werknemer?

Antwoord

Ook een wijziging in de pensioenrechten na het verstrijken van het kalenderjaar heeft invloed op de opgaveplicht. De opgave van de pensioenaangroei dient vóór 1 juni (binnen vijf maanden) van het jaar volgend op het kalenderjaar aan de verzekerde werknemer te worden gedaan. Over het jaar 2001 en 2002 is de betreffende opgavedatum verlengd tot 1 november (binnen tien maanden) van het jaar volgend op het kalenderjaar. Deze opgave dient door de verzekeraar te zijn gebaseerd op de hem bekende grondslagen ten tijde van het opmaken van de opgave. Indien achteraf blijkt, dat bij de (primaire) opgave uitgegaan is van onjuiste grondslagen, dient de verzekeraar de verzekerde werknemer een gecorrigeerde opgave te verstrekken. De gecorrigeerde opgave dient binnen redelijke termijn na het bekend worden van de gewijzigde grondslagen te worden verstrekt. Indien binnen twee maanden een verbeterde opgave wordt verstrekt, heeft die in ieder geval binnen een redelijke termijn plaatsgevonden.

9. Gevolgen van verevening en of conversie van pensioenrechten.

Vraag

Heeft verevening of conversie van pensioenrechten bij echtscheiding invloed op de vaststelling van de pensioenaangroei als bedoeld in art 3.127, vijfde lid, Wet IB 2001?

Antwoord

De verevening of conversie van pensioenrechten bij echtscheiding heeft geen invloed op de berekening van de pensioenaangroei in enig kalenderjaar. Voorafgaand aan het tijdstip van echtscheiding heeft immers de pensioenaangroei daadwerkelijk plaatsgevonden. Hoe de aldus plaatsgevonden pensioenaangroei in de toekomst wordt verdeeld over en uitbetaald aan de beide partners brengt daarin geen verandering. Na het tijdstip van echtscheiding ondergaat de pensioenaangroei door de verevening of conversie van pensioenrechten uiteraard geen wijziging omdat een verevening of conversie nooit betrekking heeft op de periode na dat tijdstip.

10. Gevolgen deblokkering premie/spaarloongelden.

Vraag

Ingevolge artikel 3.127, vijfde lid, Wet IB 2001 is de pensioenaangroei gelijk aan de aan het kalenderjaar toe te rekenen aangroei van de aanspraken volgens een pensioenregeling, voor zover deze aangroei het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in het kalenderjaar. Hierbij blijft de aangroei die het gevolg is van de aanwending van spaarloon- en premiespaartegoeden ter vrijwillige betaling van pensioenpremies , buiten beschouwing.

Voor het doen van de jaarlijkse opgave van de pensioenaangroei door het pensioenfonds of de verzekeraar, ontbreekt het deze veelal aan de kennis of en zo, ja voor welk bedrag de ontvangen premie afkomstig is uit de aanwending van spaarloon- en premiespaartegoeden. Op welke wijze kan de verzekeraar in zijn opgaaf rekening houden met de aanwending van spaarloon- en premiespaartegoeden?

Antwoord

Als de pensioenuitvoerder er niet geheel zeker van is of een deel van de ontvangen vrijwillige pensioenpremies afkomstig is uit de aanwending van spaarloon- en premiespaartegoeden, dient hij de opgaaf van de pensioenaangroei te baseren op de totaal betaalde premies respectievelijk de totale aangroei van het pensioen in het kalenderjaar. Om de verzekerde werknemers te informeren kan de pensioenuitvoerder aan de verzekerde meedelen dat zijn opgave mede is gebaseerd op eventueel vrijwillig betaalde premies uit de aanwending van spaarloon- en premiespaartegoeden. De pensioenuitvoerder kan de verzekerde werknemers erop wijzen, dat de opgegeven pensioenaangroei in voorkomende gevallen te hoog kan zijn. De werknemer kan alsdan in zijn aangifte inkomstenbelasting van een lagere pensioenaangroei uitgaan mits hij de juistheid daarvan voldoende kan onderbouwen. De vermindering van de door de pensioenuitvoerder vastgestelde factor A bedraagt de in dat jaar daartoe gedeblokkerde premies vermenigvuldigd met de factor als opgenomen in de tabel in artikel 15, tweede lid, onderdeel a, van het Uitv. besl. IB2001.

11. Gevolgen van uitruil van pensioenrechten

Vraag

Heeft de uitruil van tijdelijke pensioenrechten (bijvoorbeeld overbruggingspensioen/prepensioen) in levenslange pensioenrechten gevolgen voor de hoogte van de pensioenaangroei in het kalenderjaar van omzetten?

Antwoord

Voor zover de omgezette tijdelijke rechten zijn opgebouwd in jaren voorafgaande aan het kalenderjaar van omzetting, heeft de omzetting geen invloed op de hoogte van de pensioenaangroei in het kalenderjaar zelf. Voorzover de tijdelijke rechten zijn opgebouwd in het kalenderjaar door toeneming van de diensttijd in dat kalenderjaar, dient de door de omzetting ontstane aanspraak op levenslang ouderdomspensioen wel in aanmerking te worden genomen voor de berekening van de pensioenaangroei in dat kalenderjaar. Nadrukkelijk wijs ik erop dat de omzetting van tijdelijke rechten die zijn opgebouwd voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de omzetting plaats heeft gevonden, in een aanspraak op levenslang ouderdomspensioen kan leiden tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen met toepassing van artikel 3.133, tweede lid, onderdeel k, van de Wet IB 2001.

12. Toerekenen van al dan niet vrijwillige premiebetalingen aan pensioensoort.

Vraag

Voor de pensioenaangroei dient te worden uitgaan van de aangroei van het levenslang ouderdomspensioen. In veel regelingen worden zowel een levenslang ouderdoms- en nabestaandenpensioen, een tijdelijk overbruggingspensioen, een tijdelijk nabestaandenpensioen en/of een (tijdelijk) prepensioen opgebouwd. Mag de pensioenuitvoerder premies betaald voor tijdelijke rechten buiten de opgave van de aan het betreffende kalenderjaar toe te rekenen aangroei van het levenslange ouderdomspensioen houden?

Antwoord

Voor het oordeel of een (al dan niet vrijwillige) pensioenpremie is betaald voor het levenslange ouderdoms- en nabestaandenpensioen of voor pensioenvormen met een tijdelijke uitkeringsperiode is het karakter van de premie voor de toepassing van de Wet LB 1964 doorslaggevend. Voor de toepassing van de Wet LB 1964 zal gezien de verschillende belastingregimes eenduidig bekend moeten zijn welk deel van de premie betrekking heeft op en geïnvesteerd is in welke pensioensoort. Voor de tijdelijke pensioenvoorzieningen dient derhalve sprake te zijn van afzonderlijk omschreven pensioenrechten. Als aan deze voorwaarde is voldaan kunnen premies die zijn voldaan voor tijdelijke rechten bij de bepaling van de pensioenaangroei buiten beschouwing blijven. In het geval waarin voor de tijdelijke pensioenrechten geen sprake is van afzonderlijk geformuleerde rechten en de verzekering mede bestemd is voor het levenslange ouderdoms- en nabestaandenpensioen, zal de opgave van de pensioenaangroei steeds gebaseerd moeten worden op het totaal van de betaalde premies.

13. Toerekenen vrijwillige premiebetalingen aan kalenderjaar of oude dienstjaren.

Vraag

In veel pensioenregelingen wordt de mogelijkheid geboden vrijwillig zowel het pensioen van het kalenderjaar te verbeteren alsook de pensioenrechten die zijn opgebouwd in de daarvoor gelegen dienstjaren. Heeft de verzekeringnemer in het kader van het bepalen van de pensioenaangroei ten behoeve van de lijfrentepremieaftrek de vrije keuze om een vrijwillig betaalde premie al dan niet te duiden als een premie die betrekking heeft op diensttijd voorafgaande aan het kalenderjaar?

Antwoord

Het antwoord op de vraag op welke periode de vrijwillige premie betrekking heeft wordt primair bepaald door hetgeen daarover in de pensioenregeling respectievelijk de pensioenverzekering is vastgelegd. Als bijvoorbeeld uit de pensioenregeling respectievelijk pensioenverzekering eenduidig blijkt, dat de vrijwillige pensioenpremie betrekking heeft op de inkoop respectievelijk verbetering van het pensioen over de aan het kalenderjaar voorafgaande diensttijd, (door gebruik te maken van de pensioenruimte die artikel 10a van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: Uitv. besl. LB 1965) biedt in het eerste lid, onderdeel f of in het tweede lid, onderdeel e) hoeft bij de berekening van de pensioenaangroei in het kalenderjaar van betaling hiermee geen rekening te worden gehouden. Nadrukkelijk wijs ik erop, dat deze inkoop of verbetering wel kan leiden tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen met toepassing van artikel 3.133, tweede lid, onderdeel k, van de Wet IB 2001.

Als de regeling niet eenduidig de toerekening van de vrijwillige premiebetaling aan het kalenderjaar of de daarvoor liggende diensttijd regelt en de regeling wel de mogelijkheid biedt de pensioenopbouw over het kalenderjaar te optimaliseren, dient de premie naar mijn oordeel primair te worden aangemerkt als premie betrekking hebbend op het kalenderjaar van premiebetaling. De verzekeraar dient in zijn opgave van de pensioenaangroei in dat kalenderjaar rekening te houden met de toename van het pensioen voor zover die uit die premiebetaling voortvloeit.

14. Inkoop van dienstjaren

Vraag

Bij inkoop van dienstjaren op grond van artikel 10a, eerste lid, onderdeel b en onderdeel f van het Uitv. besl. LB 1965 of op grond van het tweede lid van genoemd artikel neemt de hoogte van de levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom toe. Heeft deze toename invloed op de vaststelling van pensioenaangroei als bedoeld in art 3.127, tweede juncto vijfde lid, Wet IB 2001?

Antwoord

Voor zover de ingekochte diensttijd geen betrekking heeft op de toeneming van de diensttijd in het kalenderjaar, maar ziet op diensttijd voorafgaande aan het kalenderjaar heeft de inkoop geen effect op de berekening van de pensioenaangroei van het kalenderjaar. Nadrukkelijk wijs ik erop dat de inkoop, voor zover de inkoop betrekking heeft op dienstjaren met ingang van het jaar 2001, kan leiden tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen met toepassing van art 3.133, tweede lid, onderdeel k, van de Wet IB 2001.

Tevens wijs ik erop, dat de inkoop gevolgen kan hebben voor de reserveringsruimte.

15. Pensioenaangroei uit FVP-bijdragen

Vraag

Na onvrijwillig ontslag, anders dan als gevolg van invaliditeit, bestaat de mogelijkheid dat gedurende de loongerelateerde werkloosheidsperiode een voortgezette pensioenopbouw plaatsvindt ten laste van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering. Het uit de FVP-bijdragen op te bouwen recht wordt na afloop van de loongerelateerde werkloosheidsperiode vastgesteld. Dient de opbouw van pensioen uit de FVP-bijdrage door de pensioenverzekeraar te worden verwerkt in de jaarlijkse opgaven van de pensioenaangroei? Dient een dergelijke opgave eventueel achteraf te geschieden?

Antwoord

In beginsel behoort de opbouw uit de FVP-bijdrage tot de pensioenaangroei. Ik keur echter goed dat met de opbouw van levenslang ouderdoms- en nabestaandenpensioen uit de FVP-gelden bij de jaarlijkse opgave van de pensioenaangroei geen rekening behoeft te worden gehouden. Voorwaarde hiervoor is dat de voortgezette pensioenopbouw in de regeling alleen wordt toegekend indien en voorzover pas achteraf de voortgezette opbouw met de FVP-bijdragen wordt verkregen. Indien de regeling, onafhankelijk van de hoogte van de latere bijdrage uit de FVP-regeling, een voortgezette pensioenopbouw kent, geldt deze goedkeuring niet

16. Voortgezette pensioenopbouw over perioden waarin ingevolge artikel 10a, eerste lid, onderdelen c, d en e, Uitv. besl. LB 1965 sprake is van pensioengevende diensttijd

Vraag

In artikel 10a, eerste lid, onderdelen c, d en e, van het Uitv. besl. LB 1965 zijn verschillende mogelijkheden aangegeven, waarin sprake kan zijn van pensioenopbouw nadat de dienstbetrekking is verbroken. Dient bij de jaarlijkse opgaaf van de pensioenaangroei met het in die periode verkregen recht op levenslang ouderdoms- en nabestaandenpensioen rekening te worden gehouden?

Antwoord.

Ja. Het in die periode op te bouwen pensioen, waarin voor de toepassing van de Wet LB 1964 sprake is van pensioengevende diensttijd, wordt ook voor de toepassing van art. 3.127, tweede juncto vijfde lid, Wet IB 2001 beschouwd als aangroei in het kalenderjaar. Met deze aangroei dient de pensioenverzekeraar in zijn opgaven dus rekening te houden. Zie voor een pensioenopbouw uit FVP-bijdragen evenwel het specifiek daarvoor gegeven vraag en antwoord 15 hiervoor.

17. Voortgezette pensioenopbouw over perioden waarin premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is verleend

Vraag

Dient bij de jaarlijkse opgaaf van de pensioenaangroei rekening te worden gehouden met de aangroei van pensioenrechten die voortvloeit uit de periode waarin premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is verleend?

Antwoord.

Ja. Met de aangroei van de jaarlijkse uitkeringen van het aan de deelnemer toekomend levenslang ouderdomspensioen moet rekening worden gehouden als die aangroei het gevolg is van de toename van de diensttijd in dat jaar. Onder diensttijd wordt in dit verband verstaan alle perioden die meetellen voor de opbouw van de pensioenrechten, de zogenoemde pensioenjaren. Hierbij maakt het geen verschil of een deelnemer in een of meer van die perioden recht heeft op premievrijstelling wegens bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid. Relevant is slechts of de desbetreffende periode meetelt als diensttijd in de zin van de pensioenregeling.

18. Voortgezette pensioenopbouw over perioden waarin ingevolge artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, ten 1e tot en met ten 4e, Uitv. besl. LB 1965 sprake is van pensioengevende diensttijd

Vraag

In artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, ten 1e tot en met ten 4e, van het Uitv. besl. LB 1965 zijn verschillende mogelijkheden aangegeven, waarin sprake kan zijn van pensioenopbouw gedurende perioden waarin onbezoldigd verlof is genoten. Dient bij de jaarlijkse opgaaf van de pensioenaangroei met het in die perioden verkregen recht op levenslang ouderdoms- en nabestaandenpensioen rekening te worden gehouden?

Antwoord.

Ja. Het in die perioden op te bouwen pensioen, waarin voor de toepassing van de Wet LB 1964 sprake is van pensioengevende diensttijd, wordt ook voor de toepassing van art. 3.127, tweede juncto vijfde lid, Wet IB 2001 beschouwd als aangroei in het kalenderjaar. Met deze aangroei dient de pensioenverzekeraar in zijn opgaven rekening te houden.

19. Naheffing door beroepspensioenfonds.

Vraag

Een naheffing van een beroepspensioenfonds kan zich voordoen als in een later jaar blijkt dat de deelnemer, wegens een te lage schatting van het beroepsinkomen in enig jaar, een te hoge reductie op de pensioenpremie heeft verkregen. In het latere jaar wordt alsdan een naheffing beroepspensioenpremies opgelegd. Is het toegestaan de nageheven premie op te nemen in de opgave van het kalenderjaar waarin de naheffing plaatsheeft?

Antwoord

Nee, de verzekeraar dient de deelnemer een verbeterde opgave van de pensioenaangroei te versturen betrekking hebbend op het jaar waarvoor een te lage premie aan het fonds is afgedragen. Nadrukkelijk wijs ik erop dat hierdoor, achteraf gezien, voor de deelnemer sprake kan zijn van teveel afgetrokken lijfrentepremies. Indien in een aangifte inkomstenbelasting, als gevolg van een factor A waarvan nadien blijkt dat deze te laag is vastgesteld, teveel aan lijfrentepremies is afgetrokken, kan de belastingplichtige ter voorkoming van een eventuele boete, een op het betreffende onderdeel betrekking hebbende verbeterde aangifte doen.

20. Wachttijd in collectieve pensioenregelingen

Vraag

Indien in een (collectieve) pensioenregeling een wachttijd is bepaald en na het verstrijken van die wachttijd, over een periode die ligt vóór het lopende kalenderjaar, een recht op levenslang ouderdomspensioen wordt toegekend, moet de pensioenuitvoerder dan over die periode een (verbeterde) opgave opmaken?

Antwoord

Ja. Voor de perioden waarin een wijziging van de hoogte van de pensioenaangroei ontstaat doordat achteraf alsnog pensioenrechten worden toegekend, dient binnen redelijke termijn een (verbeterde) opgave van de pensioenaangroei te worden opgemaakt en verzonden aan de deelnemer. Indien binnen twee maanden een verbeterde opgave wordt verstrekt, heeft die in ieder geval binnen een redelijke termijn plaatsgevonden.

Als voor een bepaalde periode de pensioenaangroei nog niet is opgegeven dient bij de opgave van de pensioenaangroei uiteraard te worden uitgegaan van de alsnog toegekende rechten die betrekking hebben op het betreffende tijdvak.

21. Pensioenopbouw gedurende een gedeelte van kalenderjaar

Vraag

Dient de pensioenverzekeraar een opgave van de pensioenaangroei in het kalenderjaar te doen als een werknemer slechts gedurende een gedeelte van een jaar aan een pensioenregeling heeft deelgenomen?

Antwoord

Ja. Ook voor personen die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar aan de pensioenregeling hebben deelgenomen dient de pensioenverzekeraar een opgave van de - tijdsevenredige - pensioenaangroei over het kalenderjaar te verstrekken. Dit geldt eveneens voor deelnemers die in het kalenderjaar voor het eerst de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en pensioenuitkeringen gaan ontvangen.