Hoofdstuk IIB. Pensioenregelingen en regelingen voor vervroegde uittreding

Artikel 18

1. Onder pensioenregeling wordt verstaan een regeling:

a. die uitsluitend of, met het oog op uitzonderlijke gevallen van restbegunstiging, nagenoeg uitsluitend ten doel heeft het treffen van:

1. een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom voor werknemers en gewezen werknemers (ouderdomspensioen);

2. een inkomensvoorziening na hun overlijden ten behoeve van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel van degenen met wie zij duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren of hebben gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in de eerste graad bestaat (nabestaandenpensioen);

3. een inkomensvoorziening na hun overlijden ten behoeve van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt (wezenpensioen);

4. een inkomensvoorziening bij arbeidsongeschiktheid zodra die langer dan een jaar duurt en welke niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht (arbeidsongeschiktheidspensioen), en

b. waarin is bepaald dat de aanspraken ingevolge de regeling niet kunnen worden afgekocht, vervreemd of prijsgegeven, dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid kunnen worden, anders dan in de gevallen voorzien bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet;

c. waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam of de natuurlijke persoon bedoeld in artikel 19a, eerste lid; een en ander voor zover die regeling blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk vastgestelde begrenzingen.

2. Onder pensioenregeling wordt mede verstaan een regeling die:

a. het ouderdomspensioen aanvult in verband met het ontbreken van uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet voor de 65-jarige leeftijd en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het ouderdomspensioen voor en na de 65-jarige leeftijd (overbruggingspensioen);

b. het nabestaandenpensioen dan wel het wezenpensioen aanvult in verband met het ontbreken van uitkeringen ingevolge de Algemene nabestaandenwet en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het pensioen voor en na de 65-jarige leeftijd (nabestaandenoverbruggingspensioen).

3. Ingeval een regeling voldoet aan de in het eerste lid opgenomen voorwaarden doch niet blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk opgenomen begrenzingen, is de regeling een pensioenregeling voorzover blijkt dat zij blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk opgenomen begrenzingen. De inhoudingsplichtige verzoekt de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de bedoelde begrenzingen vast te stellen welk deel van de desbetreffende aanspraak blijft binnen die begrenzingen. Bij toepassing van de eerste volzin geeft de inhoudingsplichtige bij elke te zijner tijd op basis van de regeling te verstrekken pensioenuitkering overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels aan welk deel daarvan tot het loon van de werknemer behoort. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 18a

1. Een op een eindloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 2 percent van het pensioengevend loon. 2. Een op een middelloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 2,25 percent van het pensioengevend loon.

3. Een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen wordt tijdsevenredig opgebouwd en is gericht op een pensioen dat na 35 jaren opbouw niet meer bedraagt dan 70 percent van het loon op dat tijdstip. De beschikbare premie wordt ten hoogste bepaald met inachtneming van de volgende uitgangspunten:

a. de beschikbare premie wordt actuarieel vastgesteld per leeftijdsklasse van ten hoogste vijf jaren en wordt afgestemd op de gemiddelde leeftijd in de klasse;

b. als loopbaanontwikkeling wordt gerekend met een loonstijging van drie percent per jaar gedurende de jaren voor het bereiken van de 35-jarige leeftijd, van twee percent per jaar gedurende de tien daaropvolgende jaren, van een percent per jaar gedurende de tien daaropvolgende jaren en van nihil gedurende de overige jaren;

c. bij de berekening wordt een rekenrente in aanmerking genomen van ten minste vier percent en wordt de te verwachten inflatie op nihil gesteld.

4. Een ouderdomspensioen gaat niet later in dan bij het vroegste van de volgende tijdstippen:

1. ingeval de dienstbetrekking eindigt voor de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum: de vastgestelde ingangsdatum, dan wel op het vroegste van de tijdstippen, bedoeld onder 3, 4 en 5;

2. ingeval de dienstbetrekking eindigt op of na de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum: het tijdstip waarop de dienstbetrekking eindigt;

3. ingeval het ouderdomspensioen 100 percent van het pensioengevend loon komt te bedragen voordat de werknemer of gewezen werknemer de 65-jarige leeftijd heeft bereikt: het tijdstip waarop hij de 65-jarige leeftijd bereikt;

4. ingeval het ouderdomspensioen 100 percent van het pensioengevend loon komt te bedragen op of na het tijdstip waarop de werknemer of gewezen werknemer de 65-jarige leeftijd heeft bereikt: het tijdstip waarop dat maximum wordt bereikt;

5. het tijdstip waarop de werknemer de 70-jarige leeftijd bereikt.

5. Ingeval het ouderdomspensioen later ingaat dan op de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum mag het pensioen na die ingangsdatum worden verhoogd overeenkomstig het tot die datum gevolgde stelsel, met inbegrip van herrekening met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, doch niet verder dan tot 100 percent van het pensioengevend loon.

6. Indien het ouderdomspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd wordt het herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de pensioenregeling vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen. Hierbij kan, zonodig in afwijking van de feitelijke situatie, worden uitgegaan van een pensioen dat uiterlijk ingaat bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd en dat per dienstjaar niet meer bedraagt dan 2 percent van het pensioengevend loon.

7. Een ouderdomspensioen gaat niet uit boven 100 percent van het pensioengevend loon op het tijdstip van ingang.

8. a. De in dit hoofdstuk met betrekking tot het desbetreffende pensioen opgenomen maxima worden voor het ouderdomspensioen opgevat met inbegrip van een bedrag dat ten minste wordt gesteld op per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar een evenredig gedeelte van de voor dat jaar geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag.

b. Voor het nabestaandenpensioen kan het in onderdeel a bedoelde bedrag voor 70% in aanmerking worden genomen.

c. Voor het wezenpensioen kan het in onderdeel a bedoelde bedrag voor 14% en voor volle wezen voor 28% in aanmerking worden genomen.

9. Met betrekking tot een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen als bedoeld in het derde lid vindt, in afwijking van het vierde lid, onder 3 en 4, de beoordeling of binnen de in het zevende lid genoemde begrenzingen wordt gebleven plaats op het tijdstip waarop voor het eerst aanspraak op ouderdomspensioen ontstaat en op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen. Indien op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen de begrenzing wordt overschreden, zal het meerdere worden uitgekeerd in een uitkering ineens. De uitkering ineens dan wel, indien uitkering niet plaatsvindt, het bedrag dat zou moeten worden uitgekeerd, wordt aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van de werknemer en wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen. Ten aanzien van de werknemer die niet premieplichtig is voor de Algemene Ouderdomswet wordt, in afwijking van de artikelen 20a en 26, de verschuldigde belasting over de uitkering onderscheidenlijk het bedrag dat zou moeten worden uitgekeerd, gesteld op de som van de belasting en de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet die daarover verschuldigd zou zijn door een persoon die wel premieplichtig is ingevolge die wet en overigens in dezelfde omstandigheden verkeert als de werknemer. Ten aanzien van de werknemer die wel premieplichtig is voor de Algemene Ouderdomswet is met betrekking tot de in de vorige volzin genoemde uitkeringen of bedragen artikel 26 niet van toepassing.

10. Ingeval de werknemer voor het tijdstip van ingang van het ouderdomspensioen ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn, wordt in het negende lid voor het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen steeds gelezen: het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de werknemer ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn.

Artikel 18b
1. Een op een eindloonstelsel gebaseerd nabestaandenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 1,4 percent van het pensioengevend loon of bereikbare pensioengevend loon.

2. Een op een middelloonstelsel gebaseerd nabestaandenpensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 1,58 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon.

3. Voor een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd nabestaandenpensioen is artikel 18a, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

4. Ingeval in de pensioenregeling is rekening gehouden met:

1. een bepaalde nabestaande, wordt gerekend met de feitelijke gegevens van die nabestaande;

2. een onbepaalde nabestaande, wordt gerekend met een leeftijdsverschil tussen de werknemer en de nabestaande van ten hoogste drie jaren.

5. Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 18c worden voor het geval de werknemer niet in leven is op het tijdstip waarop het ouderdomspensioen zou ingaan, ontbrekende dienstjaren en bereikbaar pensioengevend loon in aanmerking genomen. Onder ontbrekende dienstjaren worden verstaan de jaren van het tijdstip van overlijden van de werknemer tot de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum. Onder bereikbaar pensioengevend loon wordt verstaan het pensioengevend loon dat de gewezen werknemer binnen de vastgestelde loopbaanontwikkeling in zijn functie zou hebben kunnen bereiken.

6. Een nabestaandenpensioen gaat in onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel onmiddellijk na beëindiging van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.

7. Een nabestaandenpensioen gaat niet uit boven 70 percent van het pensioengevend loon of het bereikbaar pensioengevend loon op het tijdstip van ingang.

8. Voor de toepassing van het zevende lid is artikel 18a, negende lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18c
1. Een op een eindloonstelsel gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 0,28 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon.

2. Een op een middelloonstelsel gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 0,32 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon.

3. Voor een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd wezenpensioen is artikel 18a, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

4. Een wezenpensioen gaat in onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel direct na beëindiging van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.

5. Een wezenpensioen gaat op het tijdstip van ingang niet uit boven 14 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon.

6. Voor volle wezen worden de in de vorige leden genoemde percentages verdubbeld.

7. Voor de toepassing van het vijfde en het zesde lid is artikel 18a, negende lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18d
1. In afwijking in zoverre van de artikelen 18a, 18b en 18c kunnen een ouderdomspensioen, een nabestaandenpensioen en een wezenpensioen meer bedragen dan de aldaar opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van:

a. aanpassing van het pensioen aan loon- of prijsontwikkeling;

b. variatie in de hoogte van de uitkeringen waarbij de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75 percent van de hoogste uitkering en de mate van variatie ten laatste op de ingangsdatum van het pensioen wordt vastgesteld;

c. waardeoverdracht van pensioenaanspraken;

d. gehele of gedeeltelijke onderlinge ruil van nabestaandenpensioen, wezenpensioen en ouderdomspensioen, mits de ruil uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen plaatsvindt op basis van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.

2. Door ruil als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, ontstane verlies aan pensioen kan niet worden gecompenseerd en het nabestaandenpensioen en het wezenpensioen kunnen na een zodanige ruil niet meer bedragen dan 70 percent onderscheidenlijk 14 percent of 28 percent van het pensioengevend loon. Zodanige ruil van nabestaandenpensioen en wezenpensioen kan niet plaatsvinden tot een hoger beloop dan 50 percent onderscheidenlijk 10 percent en 20 percent van het pensioengevend loon.

Artikel 18e
1. Een overbruggingspensioen is een pensioen dat:

a. ingaat op hetzelfde tijdstip als het ouderdomspensioen en uiterlijk eindigt bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, met dien verstande dat ingeval het overbruggingspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd, dit wordt herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de pensioenregeling vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, waarbij, zonodig in afwijking van de feitelijke situatie, kan worden uitgegaan van een pensioen dat op de voet van onderdeel b ten hoogste toelaatbaar is;

b. per dienstjaar niet meer bedraagt dan 10 percent van het gezamenlijke bedrag van de uitkering ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het ouderdomspensioen voor en na de 65-jarige leeftijd, en in totaal niet meer bedraagt dan 100 percent van dat gezamenlijke bedrag, met dien verstande dat de opbouw van het overbruggingspensioen tijdsevenredig, direct voorafgaande aan de ingangsdatum van het ouderdomspensioen moet plaatsvinden.

2. Ingeval het tijdstip van ingang van het ouderdomspensioen wordt uitgesteld kan het overbruggingspensioen worden omgezet in een hoger overbruggingspensioen tot ten hoogste hetgeen op de voet van het eerste lid, onderdeel b toelaatbaar is, en voor het overige in ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen, met dien verstande dat na de omzetting het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen niet meer kunnen bedragen dan onderscheidenlijk 100 percent en 70 percent van het pensioengevend loon.

3. Voor de toepassing van het tweede lid is artikel 18a, negende lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18f
Een nabestaandenoverbruggingspensioen is een pensioen dat:

a. ingaat onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel onmiddellijk na beëindiging van het recht op een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet en uiterlijk eindigt bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd;

b. toekomt aan degene voor wie een regeling voor nabestaandenpensioen of wezenpensioen is getroffen of had kunnen worden getroffen;

c. niet meer bedraagt dan het gezamenlijke bedrag van 8/7 maal de nominale uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet,

vermeerderd met de vakantie-uitkering, en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het nabestaandenpensioen voor en na de 65-jarige leeftijd.

Artikel 18g
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de perioden die in aanmerking komen als dienstjaren dan wel diensttijd, bedoeld in de artikelen 18a, 18b, 18c, 18e, 18i en 38a.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het pensioengevend loon, bedoeld in de artikelen 18a, 18b, 18c, 18d, 18e en 38a, ter zake van:

a. de loonbestanddelen die daarin worden opgenomen;

b. de loonbestanddelen waarover de opbouw van het pensioen volgens een ander stelsel dan het eindloonstelsel dient plaats te vinden;

c. de situatie waarin de werknemer aan het eind van zijn loopbaan in deeltijd gaat werken dan wel terugtreedt naar een lager gekwalificeerde functie met een lager loon dan in zijn daaraan voorafgaande functie.

Artikel 18h
1. In afwijking in zoverre van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde is een regeling waarvan geheel of gedeeltelijk een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, als verzekeraar optreedt, een pensioenregeling indien zij voldoet aan de artikelen 18 tot en met 18g en voorts een pensioen inhoudt dat niet uitgaat boven hetgeen in collectieve regelingen gangbaar is.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden vastgesteld wat in collectieve regelingen als bedoeld in het eerste lid gangbaar is. In afwijking daarvan kan worden vastgesteld dat de opbouwmogelijkheid, aangegeven in artikel 18a, eerste lid, onverkort van toepassing is.

Artikel 18i
Onder regeling voor vervroegde uittreding wordt verstaan een regeling die:

a. voorziet in periodieke uitkeringen aan werknemers of gewezen werknemers die uiterlijk eindigen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar of bij eerder overlijden;

b. een voorziening voor vervroegde uittreding inhoudt die niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen, waaronder die ter zake van diensttijd en genoten beloning, redelijk moet worden geacht; en

c. waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam of natuurlijke persoon bedoeld in artikel 19a, eerste lid.

Artikel 19
Met betrekking tot diensttijd waarin het loon nihil is of anderszins aanzienlijk lager is dan hetgeen gebruikelijk is, kunnen geen onderscheidenlijk in zoverre geen aanspraken op een pensioenregeling of op een regeling voor vervroegde uittreding ontstaan als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel c onderscheidenlijk onderdeel d.

Artikel 19a
1. Als verzekeraar van een pensioen of een voorziening voor vervroegde uittreding als bedoeld in de artikelen 18 en 18i kan optreden:

a. een lichaam dat ingevolge artikel 5, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van die belasting;

b. een verzekeraar die bevoegd is het directe verzekeringsbedrijf, bedoeld in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, uit te oefenen, mits deze de pensioenverplichting of de verplichting ingevolge de regeling voor vervroegde uittreding voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen;

c. een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent, mits het pensioen of de voorziening voor vervroegde uittreding de voortzetting is van een pensioen dat of een voorziening die reeds was verzekerd bij die verzekeraar in een periode waarin de werknemer of gewezen werknemer niet in Nederland woonde of niet in Nederland een dienstbetrekking vervulde;

d. een ander lichaam dan bedoeld in de onderdelen a, b en c, dat in Nederland is gevestigd, de pensioenverplichting of de verplichting ingevolge de regeling voor vervroegde uittreding voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen en voldoet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden;

e. de natuurlijke persoon tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of heeft gestaan en die voldoet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden;

f. een pensioenfonds of lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent, anders dan bedoeld in de onderdelen a, b en c, dat door Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, is aangewezen en dat zich tegenover Onze Minister heeft verplicht:

1. te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de regeling, en

2. zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die is verschuldigd door toepassing van artikel 3.83, eerste of tweede lid, of artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, dan wel de werknemer of gewezen werknemer zich heeft verplicht deze zekerheid te stellen.

2. Het lichaam of de natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en e, kan slechts als verzekeraar van een pensioen optreden ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet (Stb. 1981, 18) of van toezeggingen waarvoor ontheffing is verleend van artikel 2, eerste lid, van die wet.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel f, bedoelde aanwijzing.

Artikel 19b
1. Ingeval op enig tijdstip:

a. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding niet langer als zodanig is aan te merken;

b. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990, wordt;

c. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, wordt prijsgegeven, behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is; wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak;

d. de zekerheidstelling wordt beëindigd door de werknemer of de gewezen werknemer die zich op grond van artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, heeft verplicht deze zekerheid te stellen.

2. Ingeval een verplichting ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar wordt de aanspraak ingevolge die regeling geacht te worden afgekocht. De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de verplichting ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding geheel of gedeeltelijk overgaat naar een verzekeraar bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e of f, mits deze overgang niet in strijd komt met de bepalingen bij of krachtens de artikelen 2, vierde lid, 32, 32a of 32b van de Pensioen- en spaarfondsenwet. Met betrekking tot een verplichting die is verzekerd bij een lichaam of natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, wordt onder een overgang als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan herverzekering bij een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d of f.

3. Het eerste lid is niet van toepassing ingeval de werknemer of gewezen werknemer in het kader van scheiding van tafel en bed, echtscheiding of beëindiging van samenleving een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding geheel of gedeeltelijk vervreemdt aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner dan wel omzet in een zodanige aanspraak met als gerechtigde die echtgenoot of gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner, waarbij die verkregen of omgezette aanspraak voor de toepassing van deze wet wordt geacht de voortzetting te zijn van onderscheidenlijk de aanspraak op een pensioenregeling of de aanspraak op een regeling voor vervroegde uittreding van de werknemer of gewezen werknemer.

4. Onze Minister kan, zo nodig onder door hem te stellen voorwaarden, bepalen dat het tweede lid, eerste volzin, niet van toepassing is indien de verplichting ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding overgaat op een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent, anders dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, zulks ter verwerving van aanspraken ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten Nederland.

5. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt een aanspraak op een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding mede niet langer als zodanig aangemerkt ingeval op enig tijdstip niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld ingevolge het vierde lid of artikel 19d.

6. De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot aanspraken op periodieke uitkeringen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g.

Artikel 19c
1. Op verzoek van de inhoudingsplichtige beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking of een regeling een pensioenregeling is in de zin van de artikelen 18 tot en met 18h. Het verzoek wordt gedaan voordat de regeling dan wel een wijziging van de regeling wordt ingevoerd.

2. Indien een zodanig verzoek is gedaan en vervolgens onherroepelijk komt vast te staan dat de regeling niet een zodanige pensioenregeling is en de regeling - onverwijld en ingaand op het tijdstip van ingang van de regeling - wordt aangepast in dier voege dat de regeling wel een zodanige pensioenregeling is, wordt de regeling geacht met terugwerkende kracht tot uiterlijk dat tijdstip een zodanige pensioenregeling te zijn. De vorige volzin is niet van toepassing op pensioenregelingen als bedoeld in artikel 18h.

3. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op regelingen voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i.

Artikel 19d
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, afwijkingen toestaan van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde door regelingen of groepen van regelingen, niet zijnde een regeling als bedoeld in artikel 18h, eerste lid, aan te wijzen als pensioenregeling onderscheidenlijk regeling voor vervroegde uittreding indien het een regeling betreft:

a. die op bepaalde onderdelen niet meer dan in geringe mate afwijkt van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde, mits het belang van de afwijkingen niet uitgaat boven het belang van de marges op andere onderdelen;

b. voor gemoedsbezwaarden met een ontheffing als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen, die dient ter vervanging van een pensioenregeling onderscheidenlijk een regeling voor vervroegde uittreding.

Zo nodig kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld.

Artikel 19e
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter zake van de instelling van een Adviescommissie fiscale behandeling pensioenen. De commissie adviseert over elementen van pensioenregelingen die weliswaar afwijken van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde maar niettemin van belang zijn voor een verdergaande flexibilisering van pensioenen, waarbij acht wordt geslagen op het beginsel van budgettaire neutraliteit.

Artikel 19f
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van dit hoofdstuk alsmede met betrekking tot samenloop van verschillende pensioenstelsels.

Artikel 38a
1. In afwijking in zoverre van artikel 18 kan een pensioenregeling mede omvatten een prepensioenregeling, mits deze dient of mede dient ter vervanging van een regeling voor vervroegde uittreding en aan de regeling tot vervanging voor 1 januari 2009 een begin van uitvoering is gegeven. Ingeval de inhoudingsplichtige nog geen regeling voor vervroegde uittreding heeft ingevoerd, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing indien aan de vereisten voor de invoering van een regeling voor vervroegde uittreding zou zijn voldaan indien een dergelijke regeling zou worden ingevoerd.

2. Een prepensioen is een pensioen dat:

a. niet eerder ingaat dan bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd;

b. niet later ingaat dan bij:

1. het bereiken van de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum van het ouderdomspensioen;

2. het eerder beëindigen van de dienstbetrekking op of na de in de prepensioenregeling vastgestelde ingangsdatum;

c. uiterlijk eindigt bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd;

d. met inbegrip van een voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd ingegaan ouderdomspensioen, een overbruggingspensioen en uitkeringen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding, op de in de prepensioenregeling vastgestelde ingangsdatum van het prepensioen per dienstjaar niet meer bedraagt dan, indien het gebaseerd is op:

1. een eindloonstelsel: 8,5 percent van het pensioengevend loon en in totaal niet meer dan 85 percent van het pensioengevend loon;

2. een middelloonstelsel: 9,15 percent van het pensioengevend loon en in totaal niet meer dan 85 percent van het laatste pensioengevend loon;

3. een beschikbare-premiestelsel: een pensioen dat is vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 18a, derde lid, en in totaal niet meer bedraagt dan 85 percent van het laatste pensioengevend loon;

met dien verstande dat de opbouw van het prepensioen tijdsevenredig, in ten minste tien jaren onmiddellijk voorafgaande aan de ingangsdatum van het prepensioen moet plaatsvinden.

3. Ingeval het prepensioen later ingaat dan op de in de prepensioenregeling vastgestelde ingangsdatum mag het prepensioen na die ingangsdatum worden verhoogd overeenkomstig het tot die datum geldende stelsel, met inbegrip van herrekening met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, doch niet verder dan tot 100 percent van het pensioengevende loon. Artikel 18e, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

4. Indien het prepensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd wordt het herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de prepensioenregeling vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, met dien verstande dat het met inbegrip van een overbruggingspensioen en uitkeringen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding niet meer kan bedragen dan 100 percent van het pensioengevend loon. Hierbij kan, zonodig in afwijking van de feitelijke situatie, worden uitgegaan van een prepensioen dat uiterlijk ingaat bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd en dat per dienstjaar niet meer bedraagt dan 8,5 percent van het pensioengevend loon.

5. In afwijking in zoverre van het tweede lid, onderdeel d, onder 1, kan het percentage van 8,5 tijdsevenredig worden verhoogd ingeval de opbouw van het prepensioen tot de in de prepensioenregeling vastgestelde ingangsdatum plaatsvindt in een periode die minder beloopt dan tien jaren en de gezamenlijke periode waarin de werknemer belanghebbende was bij de voorafgaande regeling voor vervroegde uittreding en de vermoedelijke periode van opbouw van het prepensioen, ten minste tien jaren beloopt.

6. Dit artikel is van toepassing gedurende een periode die ten hoogste gelijk is aan de periode die nodig is om voor de bij de aanvang van de prepensioenregeling aanwezige werknemers een volledig prepensioen op te bouwen.

7. De artikelen 18a, negende lid, 18d, 18h, 19c, 19d en 19e zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat door de overeenkomstige toepassing van artikel 18d een prepensioen niet meer kan bedragen dan 100 percent van het pensioengevend loon.

Artikel 38b
Voor op 1 juni 1999 bestaande pensioenregelingen die niet voldoen aan hoofdstuk IIB of artikel 38a, blijven tot 1 juni 2004 de artikelen 11, 11b, 11c en 11d zoals die luidden op 31 mei 1999 van toepassing en zijn tot die datum hoofdstuk IIB en artikel 38a niet van toepassing, met dien verstande dat ingeval een pensioenregeling in die periode op meer dan ondergeschikte punten wordt gewijzigd, deze daarbij geheel in overeenstemming dient te worden gebracht met hoofdstuk IIB en artikel 38a.